Bij Hensema wordt een schouwburg al gauw een huiskamer

dec 21, 2019 | Theaterkrant

Precies twee jaar geleden rondde Marcel Hensema met de schitterende kerstvoorstelling Mijn vrede zijn Groninger trilogie af. In een krankzinnige mix van feit en fictie, met uitvergrote karakters van een reeks kleurrijke personages, had Hensema in die drie voorstellingen zijn Groninger wortels onder de loep genomen. Met zijn eigen leven als vertrekpunt schiep hij een geheel eigen wereld, overtuigend op het toneel gebracht door zijn unieke vermogen om met slechts een stembuiging of een iets andere lichaamshouding een totaal nieuw personage te creëren.

De voorstellingen waren megahits in het noorden van het land. Met Alles in de hens wil Hensema nu zijn vleugels uitslaan. Kan hij ook de rest van Nederland aan zijn voeten krijgen? Daartoe moest het iets minder Gronings worden, vonden hij en zijn vaste tekstschrijver Rik van den Bos blijkens het programmablaadje. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ook nu weer zijn het de herinneringen aan de cafetaria en de kroeg uit zijn jeugd die voor de meest hilarische momenten zorgen.

Het begin van de voorstelling is helemaal vintage Hensema. In zijn donkerblauwe vest scharrelt hij wat over het podium, biedt de mensen in de zaal koffie aan en roept naar het derde balkon dat er in de zaal nog lege stoelen zijn. Hij wacht wel even tot ze beneden zijn. Bij Hensema wordt een schouwburg al gauw een huiskamer. Of beter nog: een keuken.

Want dat is zijn favoriete plek in huis. En dan met name de keukentafel. Daaronder verstopte hij zich als kind als de grote mensen rookten, dronken en roddelden. De keukentafel is dan ook, afgezien van enkele verticaal opgehangen tl-buizen en een scherm, het enige decorstuk op het verder lege toneel. Bijna ongemerkt introduceert Hensema vervolgens zijn eerste personage, een rochelende tante. We zijn weer thuis.

Maar dan gebeurt er iets vreemds. Schijnbaar vanuit het niets richt hij zich tot ons, het publiek, en begint hij over de zorgen die wij zouden hebben. Zorgen over ons geld, over onze gezondheid, over ons werk. Ja, waarover niet eigenlijk. ‘Spreek voor jezelf, Hensema’, dacht ik en dat bleek dan ook precies wat hij aan het doen was. Het was een staaltje zuivere projectie. Hensema worstelt met een midlifecrisis.

Niet dat hij dat direct wenst te erkennen, zo zitten Groningers niet in elkaar. Als het wat minder goed gaat moet je even ‘deurbieten’, simpel zat. Vraag maar aan zijn ouders. Die vroegen zich nooit af of ze ‘een beetje gelukkig’ waren. Die maakten zich vooral druk over de vraag of er wel genoeg paneermeel was voor de eierballen van morgen.

Maar Marcel Hensema is geen snackbarhouder in een Gronings stadje, hij is een moderne man uit de grote stad. Met een vrouw die ziet wat hij (nog) niet ziet: hij gaat gebukt onder grote zorgen. Dus stuurt ze hem naar een therapeut, sorry, een lifecoach.

Volgens het programmablaadje is het allemaal uit het leven gegrepen, zoals ook in de eerdere voorstellingen het echte leven de inspiratiebron was. Maar dat leven speelde zich verder terug in de tijd af. Het is nu alsof er nog onvoldoende afstand is tot het onderwerp. Hensema en Van den Bos slagen er niet in om van alle verhaallijntjes een kloppend geheel te maken. Zo is een tamelijk absurdistische scène met een lijzig sprekende kassamevrouw van de Action een vreemd zijspoor van de hoofdlijn van het verhaal, dat van Hensema’s zoektocht naar ‘iets dat hij kwijt is en weer terug moet vinden’.

Als hij, in de voetsporen van de dronken hond Pasja, in een toekomstvisioen zijn vrouw ziet met een andere man (vergelijkbaar met de derde geest die Scrooge bezoekt – het is tenslotte bijna kerstmis) komt dat volslagen onverwacht. Niets in de voorstelling gaf aanleiding om te denken dat hun relatie onder druk stond. Het leidt wel tot een heel mooi slotlied. Begeleid door Carel Kraayenhof zingt Hensema ‘As doe nait bie mie bist’, de Groningse vertaling van ‘Estás lejos de mí’, een nummer van Kraayenhofs laatste cd Tiempo Loco.

Alles in de hens heet de voorstelling maar het enige dat er in de hens lijkt te gaan is Hensema zelf. Uit zijn vest komt aan het eind van de voorstelling allemaal rook. Laten we hopen dat hij daarmee, in weerwil van de titel, wil zeggen dat het vuur in hem nog lang niet gedoofd is.

Door: Luuk Verpaalen
Bron: Theaterkrant